De Code Cultuursponsoring
is een vorm van zelfregulering, en bevat gedragsregels die door
de bij cultuursponsoring betrokken partijen nageleefd dienen te
worden. De structuur van de Code volgt die van een doorsnee wettekst:
eerst komen de regels en daarna volgt de toelichting op die regels.
Deze toelichting bestaat uit een Algemeen deel en een Bijzonder
deel, waarbij het laatste een toelichting is op de verschillende
Code-artikelen.
In de toelichting wordt tevens nader ingegaan op de uitleg die aan
de regels kan (en soms: moet) worden gegeven.
Gedragsregels
1. Definities
In deze Code wordt verstaan onder:
a Sponsoring
De overeenkomst tussen een onderneming (de sponsor)
die geld en/of op geld waardeerbare prestaties levert, en een culturele
instelling of een organisator van een cultureel evenement (de gesponsorde),
die communicatiemogelijkheden, toegangskaarten en/of overige faciliteiten
als tegenprestatie levert in verband met de door de gesponsorde
te verrichten culturele activiteit. Onder sponsoring wordt niet
verstaan reclame.
b. Reclame
Iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten
of denkbeelden. Onder reclame wordt mede verstaan het vragen van
diensten.
c. Culturele activiteit
Het culturele produkt dat door een instelling of
ad hoc organisatie wordt geboden in het kader van taak, doelstelling
en mogelijkheden. Hieronder worden ook verstaan de direct en indirect
van het culturele produkt afgeleide diensten en produkten.
d. Inhoudelijke onafhankelijkheid/inhoudelijk beleid
Onder de inhoudelijke onafhankelijkheid respectievelijk
het inhoudelijk beleid van de gesponsorde wordt mede verstaan de
artistieke, museale en wetenschappelijke onafhankelijkheid, respectievelijk
het beleid.
2. Toepasselijkheid van de Code
2.1 Voor zover in wettelijke regels, beleidsregels
of in andere Codes speciale normen ten aanzien van bepaalde produkten
zijn gesteld, gaan die voor.
2.2 Deze Code is niet van toepassing op andere vormen van sponsoring,
zoals:
- sportsponsoring;
- sponsoring van radio en televisie.
3. Inhoudelijke onafhankelijkheid
3.1 Zowel de gesponsorde als de sponsor, alsmede
eventuele andere bij een sponsoringovereen-
komst betrokken partijen hebben de plicht zorg te dragen voor het
behoud van de inhoudelijke onafhankelijkheid van de instelling.
3.2 De sponsor verlangt geen concessies van de gesponsorde wat betreft
het inhoudelijke beleid.
3.3 De gesponsorde dient vooraf duidelijkheid te verschaffen over
de inhoud van het culturele produkt.
4. Publieke toegankelijkheid
4.1 Indien de indruk van publieke toegankelijkheid
wordt gewekt, dient een redelijke publieke toegankelijkheid te worden
gewaarborgd.
4.2 Sponsor en gesponsorde staan in voor een redelijke publieke
toegankelijkheid van voorstellingen, tentoonstellingen, presentaties,
et cetera. Een redelijke publieke toegankelijkheid wordt bepaald
door:
a het aantal toegangsbewijzen dat voor de sponsor beschikbaar is
in relatie tot de capaciteit,
alsmede de verhouding tussen publiek toegankelijke en besloten voorstellingen
en presentaties;
b bij musea: de exclusieve toegankelijkheid ten behoeve van de sponsor
in relatie tot de vaste openingstijden;
c het beleid ten aanzien van distributie en verkoop van toegangsbewijzen.
4.3 Voorzover een voorstelling, presentatie, evenement et cetera
direct of indirect wordt gesubsidieerd, wordt het subsidiebedrag
aangemerkt als een medebepalende factor voor een redelijke publieke
toegankelijkheid.
5. Relatie tussen prestatie en tegenprestatie
5.1 De redelijke verhouding tussen de prestatie
van de sponsor en de tegenprestatie van de gesponsorde wordt gewaarborgd.
De evenredigheid wordt bepaald aan de hand van algemeen aanvaarde
normen van fatsoen en goede smaak, het belang van de gesponsorde,
met name de inhoudelijke onafhankelijkheid, het belang van het publiek,
het belang van de sponsor en het belang van de subsidiënt.
5.2 Er dient een naar de omstandigheden redelijk verband te zijn
tussen de prijs die de sponsor betaalt voor een toegangsbewijs en
de sponsorbijdrage, waarbij tevens de kostprijs en de publieksprijs
van een toegangsbewijs in aanmerking genomen worden.
5.3 Indien er sprake is van sponsoring dient dit voor het publiek
duidelijk te zijn, tenzij er goede redenen bestaan om hiervan af
te wijken.
5.4 Niet toegestaan zijn:
alle vormen van publiciteit en overige activiteiten van de sponsor
met betrekking tot de gesponsorde buiten de toestemming van de gesponsorde.
-overheersende aanwezigheid van communicatieve uitingen.
6. Bemiddeling
6.1 Indien door de gesponsorde een sponsoringbemiddelingsbureau
is ingeschakeld, zal hij voorafgaande aan de onderhandelingen tussen
partijen de potentiële sponsor(s) hiervan op de hoogte stellen.
6.2 Bij sponsoringbemiddeling geldt een verbod van tweezijdige vergoeding.
6.3 Sponsoringbemiddeling geschiedt tegen een redelijke vergoeding.
7. Belangenverstrengeling in bestuur
7.1 Een bestuurslid, dat tevens de huidige dan
wel potentiële sponsor in de meest algemene zin
vertegenwoordigt, dient de overige bestuursleden in kennis te stellen
van elke dreigende belangenverstrengeling in het bestuur van de
instelling, waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat die
ertoe kan leiden dat concessies worden gedaan aan het inhoudelijke
en zakelijke beleid.
7.2 Van het bestuurslid, tevens vertegenwoordiger van de sponsor
als boven bedoeld, kan door het bestuur worden verlangd zijn functie
neer te leggen indien naar het oordeel van de meerderheid van de
overige bestuursleden een verstrengeling als bedoeld in het eerste
lid zich voordoet.
8. Beëindiging en verlenging sponsoringovereenkomst
In aanvulling op de sponsoringovereenkomst, die
bij voorkeur schriftelijk wordt aangegaan, geldt dat:
8.1 indien de sponsoring voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, een
redelijke opzegtermijn in acht zal worden genomen;
8.2 de sponsor in redelijkheid een voorkeursrecht voor een aanbod
tot verlenging van de sponsoringovereenkomst heeft, tenzij partijen
dit met zoveel woorden hebben uitgesloten.
Overtreding
9. Niet-naleving
9.1 Klachten over niet-naleving van de Code zullen
worden geregistreerd door de Stichting Code Cultuursponsoring.
9.2 Klachten over niet-naleving van de Code als bedoeld onder 9.1
kunnen worden ingediend bij de Stichting Code Cultuursponsoring.
9.3 De Stichting Code Cultuursponsoring stelt de beklaagde partij
in kennis van de ontvangen klacht.
9.5 De Stichting ontvangt een afschrift van de afdoening van de
klacht.
10. Evaluatie
Deze Code wordt periodiek geëvalueerd door
de Stichting Code Cultuursponsoring.
11. Naamgeving
Deze Code kan worden aangehaald als "Code
Cultuursponsoring".
12. Ingangsdatum
Deze Code treedt in werking met ingang van
de dag na bericht in de Staatscourant.
Toelichting
Algemeen deel
Cultuursponsoring is een inmiddels bekend maatschappelijk verschijnsel.
Ofschoon het bedrag dat ermee is gemoeid (circa € 80 miljoen
per jaar) bescheiden is voor zover het wordt vergeleken met alle
subsidies, zijn de additionele bijdragen van het bedrijfsleven aan
de diverse budgetten ten behoeve van culturele instellingen en eenmalige
evenementen vaak substantieel.
Door sponsoring kan de programmering worden verruimd of worden gehandhaafd.
In beide gevallen heeft het publiek daar profijt van.
Voor de sponsor zijn vooral de meer of minder directe effecten van
sponsoring op het "corporate image" van het bedrijf van
belang. Sponsoring hoort daarom voor ondernemingen thuis in de marketingcommunicatie
en/of public relations-strategie. Ook in die zin is er sprake van
een zakelijke overeenkomst tussen sponsor en gesponsorde. Hun "economische"
doelstellingen of motieven vormen de basis waarop een contract rust.
Een typische eigenschap van sponsoring is het wederkerige karakter,
het "voor wat hoort wat". In de sponsoringovereenkomst
wordt vastgelegd dat beide partijen zich verplichten om iets te
geven, te doen of niet te doen. Zowel de sponsor als de gesponsorde
beogen hiermee voordeel te behalen.
De overheid staat welwillend tegenover sponsoring. Het beleid van
het ministerie van OCenW is er mede op gericht gesubsidieerde instellingen
te stimuleren om inkomsten uit het particuliere veld te betrekken.
Anders dan voorheen worden bij de budgetfinanciering extra inkomsten
niet in mindering gebracht op de subsidie. Met andere woorden: sponsoring
van gesubsidieerde instellingen betekent uitdrukkelijk niet dat
de Minister vervolgens minder gaat subsidiëren. Sponsoring
is een additionele inkomstenbron en dient ook zo te blijven worden
beschouwd. Anders is het voor ad hoc activiteiten van deze instellingen.
Deze kunnen zeer wel geheel uit sponsoring worden gefinancieerd.
Doch ook hier geldt dat, omdat het gaat om extra activiteiten die
zonder sponsoring niet zouden plaatsvinden, sponsoring geen invloed
heeft op de subsidie.
Particuliere ondersteuning van kunst en cultuur,
kunstenaars en culturele instellingen is van alle tijden en heeft
vele kunstschatten doen ontstaan en doen behouden. Soms werd voor
de meestal financiële steun een tegenpresentatie verlangd,
soms ook niet. Dit verschil komt tegenwoordig tot uiting in het
onderscheid tussen sponsoring enerzijds en donaties en schenkingen
anderzijds. In het algemeen is cultuursponsoring een geaccepteerd
verschijnsel. Men onderkent de behoefte bij culturele instellingen
aan een grotere financiële armslag. Het publieksbelang is er
ook mee gediend dat door de sponsoring van projecten en/of objecten
een breder aanbod wordt gepresenteerd dan zonder sponsoring mogelijk
zou zijn.
Kunst en cultuur vertegenwoordigen weliswaar een algemeen belang;
de realiteit van de beschikbare overheidsmiddelen en de kosten van
alle culturele activiteiten tezamen laten niet alleen ruimte voor
sponsoring maar creëren zo een eigen, door de betrokken partijen,
gewenste geldstroom.
De Code Cultuursponsoring kwam in 1993 tot stand,
nadat een Commissie van deskundigen oordeelde dat het vastleggen
van gedragsregels voor cultuursponsoring door de betrokken partijen
wenselijk werd geacht.
Met de invoering van de Code Cultuursponsoring (november 1993) werd
tevens een kader geboden waarbinnen de door de toenmalige Minister
van WVC aangegeven randvoorwaarden die door de overheid aan cultuursponsoring
worden gesteld, nader konden worden vastgelegd en toegelicht.1
Deze randvoorwaarden waren en zijn:
- sponsoring mag niet leiden tot aantasting van het beleid op inhoudelijk,
organisatorisch of financieel gebied,
- sponsoring moet passen binnen het instellingsbeleid,
- het waarborgen van inhoudelijke onafhankelijkheid, publieke toegankelijkheid
en een evenredige verhouding tussen de door de sponsor geleverde
bijdrage en de daarvoor verlangde tegenpresentatie van de instelling,
- en tenslotte: er zal steeds een afweging plaats moeten vinden
tussen de bijdrage van de sponsor en de integrale bijdrage die de
overheid levert.
Destijds werd gekozen voor zelfregulering. Het
blijkt dat deze reguleringsvorm het meest aansluit bij zowel de
behoefte van de betrokken partijen, sponsors en gesponsorden, als
de zwaarte van het onderwerp, waarvoor wetgeving niet noodzakelijk
wordt geacht.
Dat er een Code voorligt, komt voort uit de geconstateerde
behoefte in het veld aan helderheid ten aanzien van een in de praktijk
algemeen aanvaarde gedragslijn bij sponsoring. In feite is de Code
een weerslag van de ongeschreven betamelijkheidsnormen die ervoor
moeten zorgen dat kwaliteit, diversiteit en toegankelijkheid van
het aanbod gewaarborgd worden. Het doel dat met de Code is beoogd
is dan ook primair het vastleggen van deze uitgangspunten en het
markeren van de grenzen, waarbinnen sponsoringafspraken verder naar
eigen inzicht worden aangegaan en nader worden vormgegeven. Het
gebruik van standaardcontracten of het Modelcontract Sponsoring
van de Genootschap voor Reclame-sectie Sponsors voor Kunst wordt
door de opstellers van de Code overigens ten zeerste aanbevolen.
De Code is niet bedoeld als een samengesteld pakket van regels,
op maat gesneden al naar gelang de behoefte van een individuele
sponsor en een gesponsorde partij. Deze functie wordt immers door
een contractuele afspraak vervuld.
Het is de Code die de grote lijnen beschrijft
waarbinnen de sponsoringpraktijk zich behoort af te spelen. Aldus
wordt een algemeen kader geboden, waarmee een ieder - instellingen,
sponsors, maar ook andere betrokken partijen en niet te vergeten
het publiek - de mogelijkheid wordt aangereikt een beter inzicht
te verkrijgen in het functioneren van sponsoring in relatie tot
de gestelde randvoorwaarden. Gesponsorden en sponsors behouden in
principe alle vrijheid te handelen, mits met inachtneming van de
Code. Door een breed draagvlak wordt een preventieve werking die
van de normen kan uitgaan, gecreëerd. De Code is inmiddels
ingebed in de dagelijkse gang van zaken in het culturele veld. Hierdoor
is het mogelijk dat de Code functioneert als het keurmerk van een
niet alleen acceptabele maar vooral verantwoorde sponsoringpraktijk.
Toelichting op de artikelen
1. Definities
Van groot belang is de onderkenning van het zakelijke
element van sponsoring. Hierin onderscheidt sponsoring zich namelijk
van donaties en liefdadigheid (waarbij geen tegenprestatie wordt
overeengekomen), fondswerving (het inzamelen van geld voor een bepaald
doel, waarbij geen tegenprestatie wordt afgesproken) en mecenaat
of patronage (geen tegenprestatie afgesproken). Deze Code is derhalve
daarop niet van toepassing.
Uitdrukkelijk wordt onder sponsoring niet de schenking
begrepen. Liefdadigheid valt niet onder sponsoring. Onder schenking
wordt verstaan: de overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven,
om niet en onherroepelijk een goed afstaat ten behoeve van de begiftigde
die hetzelve aanneemt. Een donatie is dan een schenking in de zin
van financiële ondersteuning, echter zonder dat een notariële
akte is vereist om de bijdrage over te dragen aan de begunstigde.
a. Sponsoring
Aanvullende opmerkingen bij deze definitie:
- onder een onderneming worden zowel natuurlijke personen als rechtspersonen
verstaan. Als ondernemings- dan wel samenwerkingsvormen kunnen onder
meer voorkomen: de eenmanszaak, de naamloze vennootschap (n.v.),
de besloten vennootschap (b.v.), de vennootschap onder firma (v.o.f.),
de commanditaire vennootschap, de stichting, de vereniging, de coöperatie,
de onderlinge waarborgmaatschappij, het Europese Economische Samenwerkingsverband
(EESV) en de maatschap.
- de te leveren prestaties zijn omschreven:
a. een onderneming levert geld en/of op geld waardeerbare prestaties.
Onder het laatste wordt dan verstaan het leveren van goederen of
diensten, dat wil zeggen "in natura";
b. de gesponsorde levert een tegenprestatie bestaande uit communicatiemogelijkheden,
(het recht op het verkrijgen van) toegangskaarten en overige faciliteiten
(ontvangsten, catalogi et cetera);
-de toevoeging "in verband met de door de gesponsorde te verrichten
culturele activiteit" geeft het onderscheid met reclame aan.
Sponsoring is geen reclame, ook al worden de uitgaven door het bedrijfsleven
vaak uit dezelfde budgetten gedaan. Met de definities onder a. en
b. is beoogd overlapping uit te sluiten.
Voorts: sponsors dienen aan het publiek bekend te zijn; de sponsor
zal daarbij weer wel voldoende bescheidenheid moeten betrachten.
Zo zal op of in een programmaboekje vermeld moeten worden wie de
sponsor is, bijvoorbeeld door middel van de tekst "gesponsord
door ..." of "sponsor is ...". In het algemeen mag
sponsoring niet leiden tot storende, overheersende aanwezigheid
bij of in direct verband met het culturele produkt;
- alhoewel de overeenkomst zowel voor onbepaalde als bepaalde tijd
kan worden aangegaan, geniet om redenen van rechtszekerheid de sponsoringovereenkomst
voor bepaalde tijd de voorkeur.
b. Reclame
In deze Code wordt de definitie van de Stichting
Reclame Code gehanteerd, zoals neergelegd in artikel 1 van de Nederlandse
Reclame Code.
Reclame waarin denkbeelden worden gepropageerd(ook wel ideële
reclame genoemd), wordt beperkter getoetst dan de overige reclame.
Deze toetsing omvat slechts de criteria: strijd met de wet, de waarheid,
misleiding en nabootsing (zie Artikel 16 Nederlandse Reclame Code).
Ten overvloede zij opgemerkt dat volgens de Code
Cultuursponsoring àlle vormen van misleidende sponsoring
zijn verboden, en dan in het bijzonder vormen als
- "sluiksponsoring";
- "inscriptsponsoring".
Met "inscriptsponsoring" wordt sponsoring bedoeld waarbij
de tegenprestatie (o.a.) bestaat uit in de presentatie, voorstelling
of activiteit opzettelijk "ingeweven" impliciete of expliciete
verwijzing naar de sponsor die een wervend en/of verkoopbevorderend
karakter hebben.
c. Culturele activiteit
- Onder het culturele produkt worden verstaan het
kunstzinnige produkt bij de podiumkunsten en het museale produkt
bij de musea. Verder omvat het begrip alle overige evenementen en
activiteiten op cultureel gebied, ongeacht degene die de programmering
verzorgt, de producent, of de zaalhouder. Het is derhalve voor de
toepasselijkheid van deze Code niet relevant of de gesponsorde (tevens)
subsidie ontvangt dan wel dat het een vrije produktie betreft: zowel
gesubsidieerde als niet-gesubsidieerde instellingen en activiteiten
vallen onder de werking van de Code.
- Opleidingsinstituten (bijv. muziekscholen), artotheken en centra
voor kunstzinnige vorming vallen niet onder deze Code.
- De direct en indirect van het culturele produkt afgeleide diensten
en produkten vallen onder de werkingssfeer van deze Code voor zover
zij door de gesponsorde als tegenprestatie worden bedoeld.
d. Inhoudelijke onafhankelijkheid/inhoudelijk beleid
Aangezien de begrippen "artistiek", museaal
en "wetenschappelijk" niet in alle gevallen zonder meer
van toepassing zullen zijn op het type activiteit dat een instelling
verricht, is ervoor gekozen het begrip "inhoudelijk" als
overkoepelende term te hanteren.
2. Toepasselijkheid van de Code
2.2 Voor de twee eerstgenoemde vormen van sponsoring
bestaan aparte regels. Met betrekking tot sponsoring van radio en
televisie wordt gewezen op de toepasselijkheid van verschillende
regimes:
-op sponsoring van de produktie is de Code Cultuursponsoring van
toepassing;
-op de uitzending via radio en/of televisie van deze produktie is
de Mediawet van toepassing.
Sponsoring van speelfilms is van de Code Cultuursponsoring uitgesloten
en wel om hierna te noemen redenen. De Code richt zich met name
op de musea en de podiumkunsten. Sponsoring van hun culturele aanbod
is van een andere aard dan sponsoring van speelfilms, vooral omdat
de publieke toegankelijkheid door sponsoring hier niet wordt beïnvloed.
Speelfilmsponsoring kent een andere toepassing, een andere organisatie(vorm)
en heeft een andere traditie. Omdat bovendien bij de sponsoring
van speelfilms niet is gebleken van ontwikkelingen die om regulering
vragen, valt deze vorm van sponsoring niet onder deze Code.
Wèl onder de werking van de Code vallen films (voorlichting,
documentatie) die door de gesponsorde worden gemaakt ten behoeve
van de sponsor.
3. Inhoudelijke onafhankelijkheid
Inhoudelijke onafhankelijkheid wordt door de opstellers
en ondertekenaars van deze Code beschouwd als een waarborg voor
culturele vernieuwing èn continuïteit. Het is een kostbaar
goed waarvan, mits onaangetast, iedereen per saldo profijt heeft.
Alleen door een onafhankelijk inhoudelijk beleid
kan ook op de langere termijn een interessant sponsoringaanbod worden
gedaan. Voor de (potentiële) sponsor is het juist dat onderscheidende
element, gelegen in het unieke karakter van het aanbod van juist
díe instelling, waardoor hij daarvoor kiest.
Het inhoudelijk beleid is altijd het visitekaartje van de instelling.
Evenwel niet geheel ondenkbaar is de situatie waarin een sponsoringovereenkomst
is gesloten en de sponsor door betrokkenheid en deskundigheid zeer
nauw bij het inhoudelijk beleid is betrokken. Ook - juist - nu zal
zowel door de instelling als door de sponsor voor onwenselijke beïnvloeding
van dat beleid gewaakt moeten worden. Een goede sponsoringrelatie
is evenzeer gebaat bij ieders vrijheid op eigen terrein. Dit betekent
overigens niet dat er geen onderlinge afhankelijkheid bestaat in
de relatie tussen sponsor en gesponsorde. Partijen zullen deze wederzijdse
afhankelijkheid en hun belangen echter zodanig met elkaar moeten
afstemmen dat de gesponsorde geen concessies behoeft te doen. Met
het doen van concessies is bedoeld de inwilliging van onbetamelijke
of te vergaande eisen van de sponsor.
Waar in artikel 3.1 gesproken wordt van "eventuele
andere bij een sponsoringovereenkomst betrokken partijen" worden
bedoeld de subsidiënten en partijen die onder de zogenoemde
"derde geldstroom" vallen, zoals het Prins Bernhard fonds,
het Anjerfonds, et cetera.
4. Publieke toegankelijkheid
4.1 Ofschoon deze Code vooral is opgesteld met
het oog op sponsoring bij gesubsidieerde instellingen, geldt de
Code uitdrukkelijk ook voor het niet-gesubsidieerde deel van het
culturele veld. Het publiek hoeft immers niet te weten of men een
kaartje koopt voor een gesubsidieerde voorstelling, of dat er sprake
is van een particuliere, commerciële organisatie. Wel staat
vast, dat wanneer subsidie is verstrekt, er een impliciete bedoeling
is van publieke toegankelijkheid.
De publieke toegankelijkheid is wellicht het belangrijkste
aspect van de maatschappelijke effecten van sponsoring. De hoofdregel
geeft duidelijk aan dat ongeacht het type voorstelling, evenement,
tentoonstelling et cetera, de publieke toegankelijkheid gehonoreerd
dient te worden indien de indruk is gewekt - bij het publiek - dat
publieke toegankelijkheid mag worden verwacht. Voor alle duidelijkheid
zij opgemerkt dat de vraag naar de publieke toegankelijkheid niet
aan de orde is, indien een bedrijf ("de sponsor") een
artiest of evenement contracteert louter en alleen ten behoeve van
een optreden in besloten kring (voor personeelsleden, cliënten),
welk optreden derhalve geen deel uitmaakt van de normale programmering.
4.2 Het uitgangspunt is dat sponsoring een verruimende
en niet een beperkende invloed zal hebben op de capaciteit, het
aanbod als geheel. Waar door sponsoring de bezettingsgraad wordt
verhoogd, zal dit moeten gebeuren op een manier die niet ten koste
van de publieke toegankelijkheid gaat. Bij de zogenaamde relatiesponsoring
(een vorm van sponsoring waarbij de instelling als tegenprestatie
vooral toegangsbewijzen ter beschikking stelt) zal artikel 4.2 van
het meeste belang zijn. De goede smaak is hier richtinggevend. Per
situatie moet worden beoordeeld waar de grenzen liggen.
De algemene regel is derhalve dat een redelijke publieke toegankelijkheid
wordt gewaarborgd. Per situatie zal deze redelijkheid bepaald moeten
worden; de onderdelen a t/m c zijn de criteria op grond waarvan
dit gebeurt.
Als richtlijn wordt onderstaand per onderdeel een meer concrete
invulling gegeven.
a. Met betrekking tot het aantal toegangsbewijzen
voor de sponsor:
Door de gesponsorde wordt ervoor gezorgd dat het aantal toegangsbewijzen
dat voor de sponsor beschikbaar is, redelijk is in verhouding tot
het totale aantal plaatsen en de bezettingsgraad per voorstelling
of presentatie, mede gelet op het aantal herhalingen van de voorstelling
respectievelijk de duur van de presentatie, en de financiële
bijdrage van de sponsor.
Van belang is in dit verband ook of er sprake is van een eenmalige
voorstelling, optreden of presentatie, dan wel een serie, reeks
of herhaling.
Met betrekking tot de verhouding tussen publieke en besloten voorstellingen:
De verhouding tussen algemeen voor het publiek toegankelijke en
besloten voorstellingen en presentaties dient zodanig te zijn, dat
geen verminderde kans voor het publiek optreedt op het verkrijgen
van een toegangsbewijs. Het gaat hier om de besloten voorstellingen
en presentaties die tot de normale programmering behoren (dus niet
de extra voorstellingen of presentatie, "bovenop" de normale
programmering), die bij bestendig beleid voor het publiek toegankelijk
zouden zijn.
NB: voor alle duidelijkheid zij opgemerkt, dat gesubsidieerde instellingen
die binnen hun taakstelling ook niet-culturele activiteiten (bijv.
een modeshow) dan wel per definitie besloten activiteiten (bijv.
een ouderavond van de balletschool) programmeren, dit beleid onverminderd
kunnen voortzetten. Ook hier zal het redelijkheidsbeginsel de verhouding
tussen publieke, besloten en gesponsorde activiteiten kunnen bepalen.
b. Met betrekking tot de exclusieve toegankelijkheid van musea:
Exclusieve toegankelijkheid van musea ten behoeve van de sponsor(s)
is alleen toegestaan voor zover deze buiten de normale openingstijden
of presentatie-uren valt. Vaste collecties zullen in ieder geval
altijd normaal toegankelijk moeten zijn.
c. Met betrekking tot de distributie en verkoop van toegangsbewijzen:
De distributie en de verkoop van plaats-respectievelijk toegangsbewijzen
zijn niet-selectief, dat wil zeggen voor het publiek algemeen toegankelijk,
behoudens het aantal plaats-of toegangsbewijzen dat aan de sponsor
is toegekend. Voorintekening door "Vrienden-verenigingen"
blijft niettemin mogelijk.
4.3 Onder indirecte subsidiëring wordt met
name verstaan overheidsbekostiging van de accommodatie waarin een
voorstelling, presentatie of evenement plaatsvindt.
5. Relatie tussen prestatie en tegenprestatie
5.1 Wat een redelijke verhouding is tussen de verschillende
prestaties, kan niet eenduidig worden omschreven. Ook hier spelen
niet-materiële normen bij de interpretatie een belangrijke
rol. Het doet denken aan het "goed huisvaderschap": normen
waarover redelijke mensen het over het algemeen genomen wel eens
zijn.
Uitgangspunt zijn de belangen van vier partijen: de gesponsorde
(belang van inhoudelijke onafhankelijkheid), de sponsor, het publiek
en de subsidiënt. Fatsoen, eer en goede smaak zijn hier de
overkoepelende normen die richtinggevend zijn voor de evenredigheid
tussen genoemde belangen.
Tegenover de (meestal) financiële vergoeding
van de sponsor staat een tegenprestatie die veelal moeilijk op geld
te waarderen is. Voor zover mogelijk zullen partijen er daarom goed
aan doen zoveel mogelijk te objectiveren en in financiële termen
te omschrijven en dat ook in hun afspraak op te nemen.
Vooropgesteld zij dat het criterium van een redelijke verhouding
tussen prestatie en contraprestatie geenszins wil ingrijpen in het
prijsmechanisme van de sponsoringmarkt. Het economisch verkeer tussen
sponsor en gesponsorde is geheel vrij, de uitkomst van vraag en
aanbod wordt bepaald door het marktmechanisme. De voorgeschreven
"redelijke verhouding" beoogt met name de nog onervaren
partij enige bescherming te bieden; dit geldt zowel voor de gesponsorde
als voor de sponsor, zoals blijkt uit onderstaande voorbeelden.
Verder dient in het oog gehouden te worden dat het criterium van
een redelijke verhouding tussen prestatie en tegenprestatie gezien
moet worden in het licht van de waarborging van een redelijke publieke
toegankelijkheid. Het is daarvoor dat overheden optreden als subsidiënt
en dat publieke middelen worden aangewend om een infrastructuur
te creëren en in stand te houden, waarbinnen een cultureel
produkt aan het publiek kan worden aangeboden.
De sponsor mag niet uit zijn op een koopje en toehappen wanneer
hem een aanbod wordt gedaan waarvan hij weet dat de verschillende
prestaties in geen verhouding tot elkaar staan. Aan de andere kant
mag een instelling zich geen forse bedragen laten betalen en vervolgens
de sponsor niet of op grond van redelijke verwachtingen te weinig
tegemoet komen.
In het algemeen is het wenselijk dat instellingen een goed inzicht
hebben in hun mogelijkheden op de sponsoringmarkt. Met name ook
in de bedragen die erin omgaan. "Het gat in de begroting"
als sponsoringbedrag is geen sterke basis voor het creëren
van een evenwichtige verhouding.
Met de bepaling van 5.1 wordt de rol van anderen
dan de direct betrokken partijen (sponsor en gesponsorde) bij sponsoring
tot uitdrukking gebracht. Het publiek als belanghebbende partij
bij een correct en verantwoord gebruik van sponsoring, mag als maatgevende
factor worden beschouwd bij wat wel en wat niet maatschappelijk
acceptabel is. Nu beschikt "het" publiek de facto niet
over middelen om collectief een mening te openbaren.
Een aanverwant aspect van deze collectieve meningsvorming
betreft de uiting daarvan: waaruit blijkt van het bestaan van bepaalde
normen, en op welke manier wordt zoiets omstreden als "goede
smaak" bepaald" Het is op dit vlak dat er een relatie
met de media kan worden gelegd. De kritieken van recensenten en,
meer algemeen, de houding van journalisten alsmede de argumenten
die worden gebezigd kúnnen een indicatie zijn van de heersende
opinie onder het publiek en de aanvaarding of afwijzing van bepaalde
normen. In deze zin kan de stellingname van de media mede worden
gezien als een vertolking of interpretatie van de maatschappelijke
acceptatie.
Politici en andere beleidsmakers kunnen tenslotte eveneens een rol
spelen bij de maatschappelijke acceptatie. In elk geval worden zij
op hun beurt ook beïnvloed door hetgeen publiek en pers van
zich laten horen.
5.2. - De regel van artikel 5.2 bedoelt niet dat
er een evenredig verband dient te bestaan tussen sponsorprijs, sponsorbijdrage,
publieksprijs en kostprijs. Het gaat om apert onredelijke verhoudingen
tussen de genoemde elementen. Het is aan de sponsor en de gesponsorde
om uit te maken wat een redelijk verband is in de gegeven situatie;
dit behoeft niet nader gereguleerd te worden.
De kostprijs van een toegangsbewijs is mede in de beoordeling betrokken
aangezien deze prijs in relatie staat tot de vast kosten van de
instelling. Deze vaste kosten betreffen de gehele infrastructuur,
anders gezegd het geraamte zonder welk het culturele produkt niet
geboden zou kunnen worden.
- Het kan voorkomen dat, bijvoorbeeld indien er sprake is van een
bestaande relatie, een onderneming aan een gesponsorde geld of op
geld waardeerbare prestaties verstrekt, zonder dat de gesponsorde
op dat moment een tegenprestatie zal leveren (uitgestelde tegenprestatie).
In zo'n geval kan de bijdrage van de onderneming worden aangemerkt
als opgebouwde goodwill die ook een waarde vertegenwoordigt, welke
waarde in een later stadium, wanneer deze onderneming met de gesponsorde
een sponsoringovereenkomst aangaat, mede in aanmerking wordt genomen.
- Belangrijk is hier tevens de zogenoemde "ambiancewaarde"
van de instelling, waar een passende vergoeding tegenover moet staan.
5.3 Deze bepaling beoogt subtiele, misleidende sponsoring tegen
te gaan. Er kunnen echter goede redenen zijn om een afwijking van
de regel toe te staan, zoals:
-de sponsor nodigt alleen eigen medewerkers uit;
- de sponsor stelt om andere redenen dan de inhoud van het culturele
produkt, namelijk meer om imago-technische redenen, geen prijs op
een benadrukte relatie met de gesponsorde, bijvoorbeeld sponsoring
van een cultureel festival ten behoeve van AIDS-bestrijding.
5.4 -Juist omdat (een van) de redenen om aan sponsoring
te doen voor de sponsor bestaat uit de communicatiemogelijkheden,
moeten communicatie, publiciteit en alle aanverwante activiteiten
- ook recepties en ontvangsten - nauwkeurig worden vastgelegd. Doet
men dit niet, dan bestaat het gevaar - zelfs zonder opzet - dat
partijen elkaar verkeerd begrijpen en hun "rechten en plichten"
over en weer niet nakomen c.q. anders invullen dan bedoeld en gewenst
was.
Hoofdregel is dan, dat alleen is toegestaan wat onderling is overeengekomen.
Zonder toestemming is daarbuiten niets meer geoorloofd. Deze Code
bevat geen afzonderlijke bepaling voor dergelijke ontoelaatbare
communicatie en activiteiten. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan oneigenlijk gebruik van uitingen van de gesponsorde door de
sponsor, en aan de zogenaamde "ambush-marketing"; dat
wil zeggen terwijl een onderneming geen relatie heeft met de instelling,
waarmee hier wordt bedoeld: geen sponsor is - maakt zij wel gebruik
van associaties zonder dat er een vergoeding tegenover staat. Associaties
van het bedrijf dat sponsort met de gesponsorde zijn, mits door
de laatste toegestaan, wèl geoorloofd.
-De regel die overheersende aanwezigheid van communicatieve uitingen
verbiedt, spreekt voor zich. Alles wat een (ver)storende werking
heeft op de normale gang van zaken en waardoor onevenredige aandacht
uitgaat naar of wordt gevestigd op de sponsor, moet worden voorkomen.
-Wellicht ten overvloede: de normadressaten van de regels neergelegd
in art. 5.4 zijn de sponsor en de gesponsorde.
6. Bemiddeling
6.1 Deze bepaling is met name opgenomen ten behoeve
van de instellingen die nog geen of weinig sponsoringervaring hebben
opgedaan. De regel beoogt uitdrukkelijk geen invloed te hebben op
de inhoud van de sponsoringovereenkomst. Wie een bemiddelingsbureau
inschakelt, betaalt ook de bemiddelingskosten wanneer een sponsor
wordt gevonden. Is dit de gesponsorde, dan komt het er in de praktijk
op neer dat uit het bedrag dat de sponsor betaalt, eerst deze bemiddelingskosten
worden voldaan, waardoor het sponsoringbedrag lager komt te liggen
dan de bijdrage van de sponsor. De sponsor mag derhalve van de gesponsorde
verlangen vooraf te weten wat er met zijn bijdrage in deze zin gebeurt.
6.2 Sponsoringbemiddelingsbureaus die zowel van
een sponsor als van een gesponsorde een bemiddelingsopdracht hebben
ontvangen, en vervolgens deze twee partijen met elkaar in contact
brengen, mogen slechts aan een der partijen bemiddelingskosten in
rekening brengen.
6.3 In verband met de redelijke verhouding tussen
prestatie en tegenprestatie is het ook van belang dat vergoedingen
die door de instelling aan derden (sponsoringbureaus) worden betaald
voor het vinden van een sponsor (sponsoringbemiddeling), redelijk
zijn. Hetzelfde geldt voor de potentiële sponsors die een bureau
in de arm nemen. In de praktijk komen drie typen honorering voor:
op uurbasis, op commissiebasis, en een combinatie daarvan. Indien
sprake is van commissiebasis, zal de commissiehoogte in redelijke
verhouding moeten staan tot het aantal gewerkte uren alsmede de
gemaakte kosten voor verrichte inspanningen. Aldus zullen de tarieven
een weerspiegeling moeten zijn van de geleverde diensten.
7. Belangenverstrengeling in bestuur
Algemeen: met artikel 7 is beoogd een betamelijkheidsregel
vast te leggen die in de praktijk gelukkig binnen vele besturen
als norm geldt. Door in deze Code expliciet in te gaan op de belangenverstrengeling
die zich binnen een bestuur kan voordoen, mag worden verwacht dat
dit bij de betrokken partijen kan leiden tot een nog grotere bewustwording
op dit punt.
7.1 Juist omdat instellingen èn hun besturen
vrij moeten zijn bij de keuze van bestuursleden, is hier niet gekozen
voor een verbodssysteem. Denkbaar is immers een regel die verbiedt
dat de sponsor tevens een bestuurszetel bezet. Wij achten het de
verantwoordelijkheid van het bestuur ervoor te zorgen dat bestuurskandidaten
worden geselecteerd op grond van hun kwaliteiten in het belang van
de instelling. Daarbij is het een ervaringsfeit dat juist personen
die op grond van hun maatschappelijke positie en/of functie in het
bedrijfsleven dan wel overheidskringen een positieve inbreng kunnen
hebben voor het functioneren van de instelling, worden gevraagd
tot een bestuur toe te treden. Het gaat tenslotte ook om wat zij
meebrengen aan contacten, kennis, et cetera.
Een ander controlemechanisme zou zijn een aanmeldingsplicht van
bestuursleden bij de subsidiënt. Hiervoor is niet gekozen,
om teveel invloed van de overheid te vermijden.
Met opzet is de norm open geformuleerd. Belangenverstrengeling als
zodanig is niet ongeoorloofd. Wat wel en wat niet als ongeoorloofde
belangenverstrengeling wordt aangemerkt, zal per situatie anders
beoordeeld worden. "Concessies doen" is hier bedoeld in
de pejoratieve betekenis van het woord. Er van uitgaande dat normen
van fatsoen en eer in het algemeen de toon zetten voor de bestuurspraktijk,
is het desalniettemin opportuun een regel op te nemen voor die gevallen
waarin het financiële element een rol gaat spelen die dominant
is ten opzichte van genoemde normen. Ofschoon de concrete situatie
niet hoeft op te treden, dient niettemin het bestuur zich welbewust
af te vragen of er een risico van belangenverstrengeling bestaat.
Daarbij gaat het om voorzienbare risico"s. Men kan vervolgens
besluiten op de bestaande voet voort te gaan, indien sprake is van
een acceptabel risico, waarbij al dan niet - afhankelijk van de
noodzaak - preventieve maatregelen kunnen worden genomen. Dit momentum
van overwegingen en keuzes maken behoort in feite in ieder bestuur
te worden opgezocht. In elk geval dient de mogelijkheid te worden
geschapen om het risico-effect naar behoren te wegen, waarvoor tevens
het benodigde inzicht en voldoende informatie is vereist. Overigens
is het natuurlijk mogelijk - en als zodanig aan te bevelen - dat
verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuur en directie mede
met het oog op sponsoring, tevens in de statuten van instellingen
en organisaties worden geregeld.
Beïnvloeding als gevolg van verstrengeling van belangen kan
het gevolg zijn van de positie van de huidige sponsor, maar tevens
is denkbaar dat dit zich in een bestuur voordoet in verband met
een eventueel toekomstig sponsorschap.
7.2 Bedoeld is bij de overige bestuursleden de
beslissing te leggen over het functioneren van het bestuur als geheel
in verband met de positie en opstelling van het sponsorbestuurslid.
Tijdig ingrijpen bij botsende belangen in de zin van dit artikel
kan noodzakelijk zijn en moet in zo'n situatie snel geëffectueerd
kunnen worden zonder bevoegdheidskwesties.
Ook hier verdient het aanbeveling een regeling op te nemen in de
statuten van instellingen en organisaties.
8. Beëindiging en verlenging sponsoringovereenkomst
8.1 De regel betreffende de opzegtermijn is algemeen
van aard en bedoelt partijen - met name de gesponsorde - voor calamiteiten
te behoeden. Vrijwel altijd wordt een sponsoringovereenkomst gesloten
voor een bepaalde termijn, zodat deze bepaling dan buiten toepassing
kan blijven. De regel die het voorkeursrecht van de sponsor betreft
is opgenomen ten behoeve van genoemde partij. In het algemeen is
het aanbevelenswaardig dat partijen gebruik maken van een modelcontract,
zoals het Modelcontract Sponsoring van de Genootschap voor Reclame-sectie
Sponsorsing, voor zover nog niet met eigen standaardcontracten wordt
gewerkt.
Onderwerpen die bij voorkeur in een sponsoringcontract
opgenomen zouden moeten worden, zijn:
- een duidelijke omschrijving van de verplichtingen van de sponsor
en de gesponsorde,
- de ingangsdatum, duur en beëindiging van de sponsoringovereenkomst,
alsmede de wijze van
- beëindiging,
- een regeling inzake tussentijdse opzegging,
- een bepaling inzake wel of geen exclusiviteit en eventuele toestemmingsvereisten,
- een bepaling inzake niet-nakoming van de overeenkomst,
- een bepaling inzake de wijze van geschillenbehandeling.
De contractuele uitsluiting van een voorkeursrecht
voor verlenging van de sponsoringovereen-
komst is voor gesubsidieerde instellingen wel een belangrijk punt
van overweging. Alhoewel ook de duur van de overeenkomst meespeelt,
zal immers een gesubsidieerde instelling geen exclusiviteit in de
tijd aan een sponsor kunnen verlenen, een situatie die zou optreden
bij een overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan dan wel
een overeenkomst met telkens terugkerend voorkeursrecht.
De toepasselijkheid van de regel inzake het voorkeursrecht wordt
in alle gevallen bepaald door het beginsel der redelijkheid. Zo
is het vanzelfsprekend dat een instelling aan de huidige sponsor
geen aanbod tot verlenging behoeft te doen, wanneer een nieuwe sponsor
zich aandient die voor de instelling een aanzienlijke positieverbetering
zou betekenen. Ook zal een aanbod tot verlenging van de sponsoringovereenkomst
in redelijkheid uit kunnen blijven, indien op grond van de bestaande
relatie tussen de gesponsorde en de sponsor en/of de gehanteerde
voorwaarden, van de eerstgenoemde partij niet kan worden verlangd
opnieuw een overeenkomst aan te gaan.
9. Niet-naleving
De kracht van zelfregulering berust op de naleving
van de regels in eigen kring. Vaak is het zo dat, juist omdat er
niet een zwaar controle-apparaat aan bepaalde normen moet worden
verbonden, zelfregulering een effectief middel is om een onderwerp
in de gewenste mate te regelen. Blijkt die controle achteraf toch
niet te kunnen ontbreken, dan is de conclusie meestal dat strengere
maatregelen blijkbaar nodig zijn.
Bij de cultuursponsoring is de opzet duidelijk:
geen strikte regulering met wettelijke verboden maar een stelsel
van regels dicht bij het veld dat richtinggevend is en incidenten
moet voorkomen.
Bij de inwerkingtreding van de Code was bepaald dat na twee jaar
zou worden bezien of de gekozen handhavingsstructuur 'zonder sancties'
voldoende aansloot bij de praktijk. Uit de evaluatie van de nalevingspraktijk
blijkt dat met deze lichte handhavingsstructuur kan worden volstaan,
een
zwaarder regime zou noodzakelijk noch doelmatig zijn.
De Code Cultuursponsoring heeft, zo luidde de conclusie van de evaluatie,
vooral een preventieve werking.
Zolang deze gedragsregels zowel naar de letter als de geest worden
nageleefd, kan nadere regelgeving achterwege blijven.
9.3 De Stichting Code Cultuursponsoring kan, indien
beide partijen hier om verzoeken, bemiddelend optreden.
9.4 - Voor zover de beklaagde partij (gesponsorde
of sponsor) daar prijs op stelt en hiertoe een verzoek aan de Stichting
richt, kan de Stichting een niet-openbaar advies met betrekking
tot de afdoening van de klacht geven.
Deze facultatieve procedure laat de eigen klachtbehandeling door
de beklaagde partij geheel onverlet. De verantwoordelijkheid voor
de behandeling van klachten blijft onverminderd berusten bij de
gesponsorden en de sponsors.
- Indien de beklaagde partij geen verzoek om een niet-openbaar advies
heeft ingediend, kan de Stichting niettemin actief de Code-overtredende
partij ertoe bewegen de overtredende gedragingen te staken dan wel
een passende oplossing van het conflict te bespoedigen.
Deze situatie kan zich voordoen indien naar het oordeel van de Stichting
Code Cultuursponsoring er sprake is van een (dreigende) aantasting
van belangen, mede gelet op de aard en ernst van de klacht, zodanig
dat het belang van een verantwoorde sponsoringpraktijk wordt geschaad.
|